Woordenboeken…

Vandaag is het nieuwste zgn. ‘Groene boekje’ uitgebracht en over enkele dagen zal ook de nieuwste editie van de zgn. ‘Dikke Van Dale’ te koop zijn. Beide zijn woordenboeken, zij het in verschillende betekenis: het ‘Groene boekje’ gaat over de juiste spelling van woorden, terwijl de ‘Dikke Van Dale’ een gewoon woordenboek is.

De ‘Dikke Van Dale‘ is het meest bekende Nederlandse woordenboek in de gebruikelijke betekenis van dat woord, nl. een boek waarin de betekenis van woorden kan worden opgezocht. De nieuwste, 15e editie komt op 18 oktober aanstaande uit.

Aan de bijnamen die deze beide boeken hebben, blijkt hoe ingeburgerd en populair deze naslagwerken zijn. De ‘Dikke Van Dale’ als het algemeen erkende standaardwerk, het ‘Groene boekje’ zelfs als de officixc3xable standaard voor wat als de enig juiste spelling geldt.

Ikzelf heb een hekel aan woordenboeken, zowel aan het ‘Groene boekje’ als aan de ‘Dikke Van Dale’. De reden daarvoor is dat beide boeken in mijn ogen te vaak door allerhande betweters worden ‘misbruikt’ om goede sier te maken, danwel discussies te verstoren of in de door hen gewenste richting om te buigen.

Hoe vaak komt het niet voor dat iemand in een betoog een bepaald woord gebruikt en een ander er dan op wijst dat dat woord (volgens het Groene boekje dan) verkeerd gespeld is. Of dat die ander zegt dat het bewuste woord “volgens de Van Dale” een iets of zelfs heel andere betekenis heeft dan de schrijver of spreker kennelijk bedoelde.

Misbruik
In zulke gevallen wordt voorbij gegaan aan de bedoelingen van de spreker of de schrijver en volgt geen inhoudelijke reactie, maar een min of meer bestraffende reactie, louter gericht op de vorm van een gebruikt woord.
Nu zal het niet altijd zo zijn, maar in veel gevallen zal zo’n manoeuvre tamelijk bewust worden gebruikt om, zoals gezegd, goede sier te maken in de zin van “kijk eens hoe goed ik op de hoogte ben” c.q. “ik raadpleeg tenminste de boeken”; om de spreker of schrijver op die manier de pas af te snijden zonder zelf met inhoudelijke argumenten te hoeven komen, of tenslotte de spreker of schrijver in te peperen dat hij of zij een woord verkeerd gebruikt heeft.
Op zo’n manier met anderen omgaan vind ik tamelijk onsympathiek en kan in sommige gevallen ook gewoonweg onbeschoft zijn en van weinig respect voor iemands bedoelingen getuigen.

Context
Zoals de onlangs overleden Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer heeft duidelijk gemaakt, ontlenen woorden hun betekenis namelijk in de eerste plaats aan hun context en bedoeling in een concreet gesprek. De betekenissen zoals die in woordenboeken worden vastgelegd zijn altijd afgeleiden, abstracties van de veel verfijndere betekenis die woorden in de concrete praktijk hebben. Daarmee te schermen doet dus haast per definitie afbreuk of zelfs onrecht aan de bedoeling die een spreker of schrijver in een specifieke setting met een bepaald woord heeft.

Over gewicht

De laatste jaren vormt overgewicht een toenemend probleem, eerst vooral in de Verenigde Staten, maar nu ook in Nederland en andere Europese landen. Afgezien van de gezondheidsproblemen die dit veroorzaakt, spelen bij dit onderwerp ook culturele aspecten een rol. Hier een beknopt historisch overzichtje:

Oorspronkelijk
Biologisch gezien ligt bij vrouwen de nadruk meer op vet en bij mannen meer op spieren. Vandaaruit besefte men reeds in de prehistorie dat in magere tijden, voor gezond nageslacht dikke vrouwen en sterke mannen de voorkeur hadden. Dit bleef lange tijd de heersende zienswijze en vormt in veel minder ontwikkelde landen nog steeds een belangrijk criterium.

Geestelijk ideaal
Naast dit lichamelijke ideaalbeeld kwam in Europa met het Christendom het ideaal van vroomheid op (zowel voor mannen als voor vrouwen!) en wat later (vooralsnog louter) voor mannen ook intellectuele ontwikkeling. Lichamelijke kracht en gezondheid kwamen daardoor wat meer op de achtergrond.

Lichaamscultus
Na de doorbraak van het secularisme en de opkomst van de Romantiek in het begin van de 19e eeuw, greep men versterkt terug op de antieke Oudheid, waaronder ook op de lichaamscultus. Dat was het begin van de moderne sport- en gezondheidscultuur. Was dit aanvankelijk een mannenaangelegenheid, sinds het eind van de 19e eeuw begonnen heel langzaam aan ook vrouwen aan sport te doen en zich zo bewust op hun lichaam te concentreren.

Mode
Tevens komt in die tijd ook de mode op, waarin meer of minder kunstmatige, danwel kunstzinnige creaties de tot dan toe gedragen traditionele (volks)kledij gaat vervangen. Reeds in de jaren ’20 van de 20e eeuw verschijnt dan damesmode met mannelijke accessoires, waarin de vrouwelijke vormen werden weggemoffeld en slank het ideaalbeeld werd.
Een reden daarvoor wordt soms weleens gezocht in de homoseksualiteit van bepaald mode-ontwerpers, die hun voorkeur voor mannelijke en afkeer van vrouwelijke vormen in hun creaties uitleefden.

Extremer
Na de Tweede Wereldoorlog werd de invloed van sport en mode alleen maar sterker: vanuit Amerika ontstond een haast ziekelijke gezondheidscultus en hier in Europa een steeds absurder wordend modebeeld, dat via androgyne idealen in de jaren ’70 uiteindelijk uitmondde in de ‘junkielook’ van de jaren ’80.
Hoewel dat laatste meer een provocatie (en voor sommigen misschien een perverse voorkeur) was, doet dat niet af aan het feit dat het slankheidsideaal voor veel vrouwen een zware druk betekent. Voor mannen leek het ideaal daarentegen groot en sterk te zijn (gebleven), wat dan voor de wat slankere jongens/mannen weer niet zo leuk was/is.

Nieuw ideaal?
Hoewel het misschien wel goed zou zijn, als vrouwen eens van het hen opgelegde slankheidsideaal bevrijd zouden worden, zit dat er onder invloed van het toenemende probleem van overgewicht in de Westerse wereld niet echt in. Laten we hopen dat in de strijd tegen overgewicht slanke mensen opnieuw het ideaal worden… want nog steeds worden slanke mensen, en dan met name mannen, geconfronteerd met de prehistorische vraag van “of zij niet wat meer moeten eten”….

Over smaak…

Volgens het overbekende gezegde valt over smaak niet te twisten, want smaken verschillen… Daarmee wordt doorgaans bedoeld dat smaak iets zeer persoonlijks is en dat smaak per persoon dermate kan verschillen, dat een gesprek of discussie over welke smaak beter is bij voorbaat zinloos is.

Voor- en nadelen
Door niet over smaak te discussixc3xabren zullen enerzijds inderdaad veel meningsverschillen of zelfs ruzies voorkomen kunnen worden, maar anderzijds heeft dit tot gevolg dat ook minder mooie en smaakvolle vormen, kleuren en dingen worden gemaakt, tentoongesteld en/of verspreid omdat niemand daar wat van wil of durft te zeggen… bang misschien dat hij of zij wordt afgeserveerd met de bovengenoemde gezegdes…

Vreemd
Als we hier iets meer bij stilstaan, dan is het eigenlijk vreemd dat zoveel mensen in deze gezegdes (lijken) te geloven. Als we naar de praktijk van alledag kijken, dan blijken er immers vaak genoeg duidelijke meningen te bestaan over wat mooi, lekker, smaakvol of esthetisch verantwoord is. We hoeven daarvoor alleen maar te kijken naar de talloze tv-programma’s waarin inrichting, uiterlijk en levensstijl worden beoordeeld en gerestyled…

Groepsgevoel
Wat als smaakvol wordt gewaardeerd, verschilt namelijk niet zozeer per persoon, maar veel meer per maatschappelijke laag en sociale klasse, per generatie en per ontwikkelingsniveau. Zoals uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken, gaan mensen bij wat ze mooi vinden meestal af op datgene wat als mooi en smaakvol wordt gezien binnen de groep waar ze bijhoren c.q. bij willen horen.

Voorbeelden
Wat bepaalde groepen mooi vinden is ook niet geheel toevallig of willekeurig: mensen die bij de beter opgeleide en meer ontwikkelde klasse horen vinden over het algemeen meer complexe dingen (zoals klassieke muziek en literatuur, maar ook moderne dans en haute cuisine) mooier, beter of lekkerder; terwijl mensen uit de lagere sociale klassen over het algemeen een voorkeur voor eenvoudigere zaken hebben (zoals populaire muziek, spannende of romantische romans, showvoorstellingen e.d.).

Persoonlijke invulling
Bij de specifieke en concrete invulling van de groepsvoorkeuren komen wel meer persoonlijke kenmerken om de hoek kijken: zo blijkt dat bij sommige mensen het gehoor gevoeliger is, waardoor zij liever zullen kiezen voor muzikaal vermaak. Bij anderen is dan weer het gezichtsvermogen sterker ontwikkeld en deze mensen zullen dan een voorkeur voor meer visueel vermaak hebben. Ook iemands karakter en persoonlijke levensgeschiedenis spelen vaak een rol bij de concrete invulling van iemands smaak.

Universeel
De beroemde Duitse filosoof Emmanuel Kant (1724-1804) gaat nog een stap verder, maar maakt eerst een onderscheid tussen het aangename en het schone/mooie. Het aangename wordt bepaald door de smaak der zintuigen en kan daarom per persoon verschillen. Op deze smaak van het aangename gaat Kant niet verder in.
Waar het Kant om gaat is dat het aangename per persoon kan verschillen, maar het schone/mooie niet. Als wij iets mooi vinden, dan moet dat esthetische (smaak)oordeel, anders dan wanneer wij iets lekker of aangenaam vinden, voor iedereen gelden: wat ik mooi vind, zouden andere mensen ook mooi moeten vinden – anders is het kennelijk niet echt mooi…!
Volgens Kant is schoonheid namelijk iets dat alleen door met rede (verstand) begiftigde wezens kan worden ervaren. De rede doet ons de harmonie van bijv. de kleurenpracht van de natuur of de klankenrijkdom van een muziekstuk ervaren als een overeenstemming tussen wat wij ervaren (bijv. de natuur) en wat wij zouden willen (harmonie).
Als bij zo’n esthetisch oordeel het ervaren volledig met het willen samenvalt, dan is het object een doel op zich, is het louter het object dat de schoonheidservaring oproept. Het object is dan dus ook geen middel meer om andere doelen te bereiken, waarmee alle subjectieve belangen weg zijn gevallen.

Waarom?
Resteert de vraag waarom de gezegdes “over smaak valt te twisten” en “smaken verschillen” dan toch zo diep geworteld blijken, als we hebben gezien dat die relativiteit van smaak in de praktijk nogal tegenvalt en filosofisch misschien wel onzin is.
De meest voor de hand liggende reden is dat, zoals gezegd, met deze gezegdes onnodige disputen kunnen worden voorkomen. Maar er is waarschijnlijk meer: want door met genoemde gezegdes te schermen kunnen mensen die daar toe in staat zijn, hun eigen smaak, al is die nog zo lelijk, aanhouden, doordrukken of zelfs opleggen, kunnen zij mensen met een goede smaak de mond snoeren, kunnen zij zich aan het oordeel van deskundige critici onttrekken…

Het is goed als mensen verschillen en hun eigen oordeel en smaak hebben, maar het mag niet zo zijn dat de smaakverschillen als dekmantel worden gebruikt voor het recht van de sterkste…
Laat de schoonheid bevorderd worden… niet onderdrukt!

Rechten-inflatie

Niet alleen bestaat er inflatie die de waarde van het geld aantast, er bestaat ook een soort inflatie die de waarde van regels en wetten aantast:

1. Sinds de jaren ’60 van de 20e eeuw zijn de traditionele regels van religie en fatsoen zeer snel in onbruik geraakt. Toen men dat in de jaren ’90 als een probleem ging ervaren, bleek er eigenlijk nog maar 1 stelsel van regels te zijn dat nog enigszins algemeen erkend (en gehandhaafd) werd: het recht.
Gevolg was en is dat men allerlei dingen die vroeger op het terrein van religie of fatsoen lagen, nu met behulp van het recht wil regelen (juridisering). Probleem daarvan is dat men van de overheid (regering, justitie) dingen verwacht die niet waargemaakt kunnen worden, omdat het recht daar nu eenmaal niet voor bedoeld is.

2. Een belangrijke rol komt daarbij toe aan de grond- en mensenrechten. Deze worden steeds vaker op oneigenlijke wijze gebruikt, zelfs op het terrein waar vroeger de fatsoensregels golden: zo beroept men zich bijv. tegenwoordig op de vrijheid van meningsuiting, daar waar men zich vroeger uit fatsoen inhield. En zo zijn er meer voorbeelden van zulke horizontaal toegepaste grondrechten…
De graagte en de gedrevenheid waarmee deze rechten worden ingeroepen, maken ze zowat tot een nieuwe religie, die, compleet met eigen leiders, heiligen en martelaren, vooral gericht lijkt tegen alles wat conservatief, reactionair en religieus is.

3. Dat grond- en mensenrechten niet als fatsoensnormen of zelfs pseudo-religieus bedoeld zijn, blijkt duidelijk genoeg uit hun ontstaansgeschiedenis, die in het kort hier op neerkomt:
– de klassieke grondrechten (zoals briefgeheim, vrijheid van meningsuiting e.d.) zijn in de loop van zeg 500 jaar ontstaan als bescherming tegen de groeiende almacht van de staat.
– klassieke mensenrechten (zoals recht op privacy, gezinsleven e.d.) zijn in verdragen vastgelegd om de vreselijke inbreuken zoals onder het Nazi-regime te voorkomen.
– sociale grondrechten (zoals recht op gelijke beloning en op arbeid) zijn ontstaan in de softe jaren ’70 en zijn eigenlijk nooit erg hard geworden.

4. Een logische vraag zou nog kunnen zijn, hoe en waardoor de dingen die nu door grond- en mensenrechten geregeld worden (dus niet wat men er nu van wil maken), geregeld werden vxc3xb3xc3xb3rdat ze alszodanig werden vastgelegd:
– De klassieke grondrechten bouwen voort op privileges die de burgers allengs van een steeds machtiger overheid wisten af te dwingen. Toen overheden minder machtig waren, was er aan die rechten gewoonweg nauwelijks behoefte.
– De andere mensenrechten waren vroeger geregeld door de normen van het Christendom: het zgn. natuurrecht, dat weliswaar ook rechtsregels omvatte, maar vooral een stelsel van morele en fatsoensnormen was, waar zowel gewone mensen onderling (horizontaal) als hun leiders (verticaal) aan gebonden waren.

5. Al met al zien we dus de laatste jaren een versnelde inflatie van de diverse regels: in plaats van fatsoensregels beroept men zich op de wet en in plaats van op de wet op de grondrechten… en zoals bij alle inflatie het geval is, geldt ook hier dat door dit proces de waarde van de diverse regels alleen maar afneemt…

(zie in dit verband ook: “Rechtsfilosofie, een thematische benadering“)

Landelijke Politiedag

Landelijke Politiedag 2005
Vanmiddag heb ik in het kader van de Landelijke Politiedag het hoofdbureau van politie in Haarlem bezocht.

Het eerste wat mij, als kleurenfreak, na binnenkomst opviel, was de vale lichtgroene kleur van het interieur. Achteraf bleek dat een tint lichter te zijn dan de typisch 18e eeuwse kleur groen zoals die is toegepast op oudere delen van het uit die tijd stammende gebouw.
Ook grappig waren de grote spiegels in de gangen, die klaarblijkelijk dienen om te kunnen kijken of het uniform wel netjes zit

Verder was het cellencomplex te bezichtigen: de cellen zijn net als weleens op televisie te zien zijn: een betonnen ruimte met een betonnen bed en tafeltje, een metalen wc en wasbakje en een venster van glasblokken.

Een heel stuk mooier was de ‘kantine’ die bestaat uit een grote hoge zaal waarin de orginele plafondbalken zichtbaar zijn en waarin een fraai halfrond balkon met glazen vergaderruimtes was ingebouwd.

In xc3xa9xc3xa9n van die ruimtes werd uitleg en demonstratie gegeven van de opsporing zoals de technische recherche die doet en die de laatste jaren vooral bekend is geworden uit de series zoals CSI Miami. Getoond werd hoe van diverse sporen afdrukken werden gemaakt en er werd bij verteld dat deze methoden vroeger alleen werden toegepast bij zware misdrijven, maar nu ook bij gewone woninginbraken e.d. (met succes) worden ingezet.

Het hoofdbureau van politie in HaarlemAchter het hoofdgebouw waren ook de garages opengesteld en konden de verschillende politievoertuigen worden bewonderd: fietsen, motorfietsen, politiewagens en ME-busjes, allen voorzien van het nieuwste C2000 communicatie- systeem met randapparatuur van Motorola.

Het overgrote deel van de bezoekers waren ouders met kleine kinderen. Natuurlijk heel leuk (en spannend) voor hen, maar voor de politie komt dat toch wel een beetje over alsof ze niet meer dan een ‘kinderattractie’ zijn, lijkt me. Als er ook meer volwassenen uitzichzelf waren gekomen, dan had de politie zich wat meer serieus genomen kunnen voelen en hadden de volwassen zich misschien een iets genuanceerder beeld kunnen vormen van een organisatie die toch wel heel vaak onder verwensingen te lijden heeft…

Gelovig Homo-zijn

Voor veel mensen is het niet altijd even makkelijk (geweest) om voor hun homo-zijn uit te komen (coming-out) en soms blijft het moeilijk om als homo door het leven te gaan, omdat ondanks alle vooruitgang en emancipatie, de tolerantie en de acceptatie van homo’s (nog altijd) niet overal even optimaal is.

Extra moeilijk is het voor gelovige mensen die erachter komen dat zij een homoseksuele voorkeur hebben. Vanoudsher geldt namelijk homoseksualiteit volgens de Bijbel en daarmee voor Joden, Christenen en Moslims, als een zonde, als een “gruwel in Gods ogen”. Ik zal nu niet ingaan op dit bijbelse standpunt, maar wil het hier eens van een andere kant benaderen:

Misschien zou het voor gelovige homo’s die met een en ander worstelen wel helpen als de ‘homowereld’ niet zo ontzettend anti-religie en anti-kerk zou zijn, als er meer begrip zou zijn voor mensen die op hun manier hun homo-zijn en hun geloof in evenwicht proberen te brengen, zonder dat meteen het geloof of de Kerk de zwarte piet krijgen toegeschoven.

Want dat gelovige homo’s zo worstelen met de combinatie van geloof en homo-zijn, komt omdat hun geloof, hun God en/of hun Kerk niet alleen in negatieve (d.w.z. onderdrukkende en verbiedende) zin, maar vaak genoeg ook in positieve zin (als inspiratie en zingeving) een belangrijke rol in hun leven speelt…

In ieder geval is voor gelovige homo’s hun geloof belangrijk genoeg om niet zomaar 1-2-3 weg te gooien en daarom zijn zij niet geholpen door de vaak vreselijke veroordelingen en beledigingen richting geloof en Kerk, maar zouden zij juist gebaat zijn bij een meer begripvolle houding tegenover hun religie…

Net zo goed als mensen het recht hebben om afstand te doen van hun geloof of uit hun kerk te treden, hebben mensen ook het recht om, ook als homo, gelovig en/of lid van een kerk te blijven of zelfs te worden. Hoe zij daarbij omgaan met de soms strenge regels van dat geloof, is hun eigen zaak.

In beide gevallen moet hen deze vaak zware keuze niet onnodig moeilijk worden gemaakt. Gelovigen zouden daarbij net zo goed begrip moeten proberen op te brengen voor degenen die de kerk de rug toe keren, als dat niet-gelovigen dat zouden moeten proberen ten aanzien van mensen die wel geloof en homo-zijn willen combineren.

Met name homo’s, die immers tot voor kort aan den lijve ervaren hebben hoe het is om gediscrimineerd, buitengesloten en geminacht te worden, zouden zich, met dat in het achterhoofd, des te ruimhartiger en toleranter moeten openstellen voor mensen die nu op andere gronden gediscrimineerd, buitengesloten en geminacht worden.

Dit geldt speciaal voor gelovigen die homo zijn c.q. homo’s die gelovig zijn. Zij worden immers ‘dubbel’ getroffen en vallen haast per definitie tussen wal en schip: binnen de kerken is homoseksualiteit doorgaans een ‘probleem’, terwijl binnen de homogemeenschap geloof vaak als iets vreselijks geldt…

Ik als katholiek heb persoonlijk dan ook meer ‘last’ van de enorm negatieve manier waarop homo’s in het algemeen de Katholieke Kerk vaak benaderen, dan van hoe de Kerk over homo’s denkt…